Arbeidsmigratie
Naar een faire verdeling van de baten van gerichte arbeidsmigratie
In 2023 immigreerden 300 000 mensen naar Nederland. In datzelfde jaar emigreerden ook 200 000 mensen uit Nederland. Het migratiesaldo, het verschil tussen immigratie en emigratie, was dus 100 000. In 2015 was dit migratiesaldo nog maar de helft.
Eén oorzaak voor de stijging in het migratiesaldo is een toename in het aantal asielzoekers door de oorlogen in Syrië, Libië, en Oekraïne. Maar belangrijker voor de toename in het migratiesaldo is de hogere instroom van het aantal arbeidsmigranten.
Van de 300 000 instromers in 2023 waren er 37 000 asielzoeker en 100 000 arbeidsmigrant. Daarnaast waren er nog 45 000 terugkerende Nederlanders, 45 000 studenten, en 37 000 Oekraïners. De rest, zo’n 70 000, kwam naar Nederland om nog een andere reden.
1. Den Haag maakt eindelijk werk van arbeidsmigratie
Over asielzoekers is er in de Haagse politiek al uitvoerig gedebatteerd. Konden COA-vrijwilligers wel lintjes krijgen? Wat als we nu eens aan “expectation management” doen voor asielzoekers door terugkeerborden bij opvangcentra? Zijn de voorgestelde veranderingen in de Vreemdelingenwet wel combineerbaar met het Europese asiel- en migratiepact dat in werking treedt vanaf juni 2026? De Adviesraad Migratie en de Raad van State denken alvast van niet. Veel debat dus over asiel, zonder veel resultaat.
Ook merkwaardig is dat Den Haag het in de voorbije jaren veel minder had over de grotere groep arbeidsmigranten. Maar gelukkig staat arbeidsmigratie nu wél hoog op de politieke agenda. Deze maandag stond het als eerste werkpunt op de agenda van Rob Jetten en Henri Bontenbal. Vorige week stemde de Eerste Kamer in met de WTTA, waarmee het kabinet uitzendbureaus die regels ontduiken of omzeilen wil aanpakken. Deze bureaus betalen arbeidsmigranten te weinig of laten ze werken onder slechte omstandigheden. De WTTA eist daarom dat uitzendbureaus vanaf 1 januari 2027 een vergunning hebben voor het uitlenen van arbeidsmigranten.
Ook nog vorige week stelde minister Mona Keijzer voor om het makkelijker maken aan verhuurders om tijdelijke contracten aan te bieden aan arbeidsmigranten, zolang hun woning aan een Noemer-norm voldoet om wantoestanden te voorkomen. Eerder al wilde voormalig minister van Sociale Zaken Eddy van Hijum dat werkgevers niet langer loon mochten inhouden om woonruimte te regelen voor arbeidsmigranten, want dat leidt volgens het Roemer-rapport te vaak tot uitbuiting. Maar zijn opvolger, Mariëlle Paul, draaide dat plan begin november terug onder druk van de uitzendlobby.
Arbeidsmigratie staat dus hoog op de politieke agenda. Eindelijk, en gelukkig maar. Want Nederland is een open economie die baat heeft bij een goed migratiebeleid.
2. Oplossingen voor arbeidsmigratie
Verschillende adviesorganen hebben rapporten geschreven met aanbevelingen voor een meer gerichte arbeidsmigratie. De Adviesraad Migratie stelt voor om immigranten van buiten de EU te testen voor hun bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Deze test bestaat uit twee stappen: een toetsing van het werk dat de immigrant zou kunnen doen in Nederland, en een toets als nieuwe burger in onze samenleving. Deze twee toetsen krijgen elk een cijfer tussen 1 en 10 op basis van 5 criteria: het verwachte loon, beroep, sector, de beschikbaarheid van een goede woning, en kennis van de Nederlandse taal. In het VK en Canada bestaan al gelijkaardig procedures, en binnenkort ook in Duitsland.
Ook de SER kwam begin oktober met een adviesrapport. Daarin stelt de SER dat beleid perk en paal moet stellen aan de uitbuiting van laagbetaalde arbeidsmigranten in sectoren zoals de land- en tuinbouw, horeca, logistiek, of de voedingsindustrie. Dat kan door een grotere en dwingendere rol voor de arbeidsinspectie. Ook moet er een gedragscode komen voor uitzendbureaus, zoals de WTTA, en moeten bedrijven die meedingen voor overheidsaanbestedingen getest worden voor de behandeling van arbeidsmigranten.
3. Maar arbeidsbesparende technologie is geen oplossing
Het rapport van de SER raadt de overheid ook aan om bedrijven te helpen bij investeringen in arbeidsbesparende technologie. De redenering is dat hierdoor de vraag naar arbeidsmigranten (en andere werknemers) zou dalen. Zo stelt de SER voor om innovatievouchers te geven aan het mkb: een tegoedbon voor mkb’ers waarmee zij kennis kunnen inkopen of hulp kunnen inschakelen voor arbeidsbesparende innovatie.
Maar dit advies lijkt in te gaan tegen het economische belang van arbeidsmigratie. Al decennialang onderzoeken arbeidseconomen de meerwaarde van arbeidsmigratie voor een economie. Wat vinden ze? Arbeidsmigratie verhoogt de welvaart. Hoe deze welvaartswinst wordt verdeeld hangt af of je kijkt naar de korte of langere termijn.
Op korte termijn profiteren bedrijven van arbeidsmigratie omwille van twee redenen. Ten eerste leidt immigratie tot lagere lonen en goedkopere arbeidsvoorwaarden. Daarover ging het Roemer rapport en daarom kregen we de WTTA. Ten tweede zorgt immigratie ervoor dat de “technologie” waarvan arbeidsmigranten gebruik maken winstgevender wordt. Met “technologie” bedoel ik niet alleen de machines die arbeidsmigranten gebruiken, zoals de pluk-hulpen op de foto aan het begin van deze post. Maar bijvoorbeeld ook schaalvoordelen in de organisatie van werk, zoals contractafspraken met een uitzendbureau of juridische kosten voor het uitzoeken van de relevante wetgeving omtrent arbeidsmigratie. Economen noemen deze extra winst voor bedrijven het immigratie surplus. Het is een toename in onze welvaart die gaat naar bedrijven. Op de korte termijn.
Op langere termijn is het voor bedrijven daarom interessant om te meer te investeren in “technologie” die gebruik maakt van arbeidsmigranten. Dit betekent niet alleen meer machines, maar ook andere investeringen die nodig zijn voor opschaling, zoals extra grond of vastgoed of het aanwerven van extra ondersteunend personeel. Door deze opschaling worden arbeidsmigranten belangrijker voor het bedrijf. Hierdoor stijgen de lonen en verbeteren de arbeidsvoorwaarden, zodat het immigratie surplus op langere termijn wordt herverdeeld van bedrijven naar werknemers. In de praktijk gebeurt deze herverdeling door initiatieven als het Roemer rapport, de adviezen van de Adviesraad Migratie en de SER, en wetgeving zoals de WTTA.
Op langere termijn profiteren dus werkgevers, werknemers, en consumenten van arbeidsmigratie. En een belangrijk ingrediënt voor een faire verdeling van deze welvaartswinst is dat bedrijven die gebruik maken van arbeidsmigranten investeren in technologie die complementair is met arbeid. Hierover bestaat consensus onder arbeidseconomen. Maar dit inzicht staat haaks op de aanbeveling van de SER om innovatievouchers te geven aan bedrijven om te investeren in arbeidsbesparende technologie.
Na het vorige kibbel-kabinet en de verloren jaren, maken de winnaars van de verkiezingen nu eindelijk werk van een goed arbeidsmarktbeleid. Een beleid dat stuurt op gerichte arbeidsmigratie met de grootste meerwaarde voor werkgevers, werknemers, en burgers (inclusief migranten). Nu is het alleen nog hopen op een stabiel kabinet om de adviezen en beleidsplannen om te zetten in wetgeving.

