Arbeidsmigratie
We zochten arbeiders, maar er kwamen mensen
Na flexibilisering, sociale zekerheid en sociaal overleg zoom ik in deze post in op een vierde uitdaging voor de Nederlandse arbeidsmarkt: arbeidsmigratie.
Weinig onderwerpen liggen politiek zo gevoelig als migratie, en weinig onderwerpen worden zo vaak op basis van onderbuikgevoelens besproken. In deze post probeer ik de discussie terug te brengen tot waar het over zou moeten gaan: wat zegt het bewijs, welke soorten migratie zijn er, en hoe ziet verstandig beleid eruit?
Perceptie versus werkelijkheid
Het migratiedebat begint vaak bij een vertekend beeld. In zijn nieuwe boek Why Immigration Policy Is Hard laat Alan Manning, bij wie ik mijn PhD deed op LSE en één van de beste economen die ik ken, zien dat mensen in vrijwel alle landen het aantal migranten stelselmatig overschatten. Nederland vormt daarop geen uitzondering.
Die misperceptie kleurt vervolgens ook het publieke en politieke debat. De discussie polariseert tussen een anti-immigratiekamp en een pro-immigratiekamp. De argumenten helpen amper om het feitelijke beeld bij te stellen — en bieden beleidsmakers weinig houvast om de uitdagingen van immigratie beter te begrijpen.
Verschillende soorten migratie
Een belangrijke bron van verwarring is dat het debat vrijwel volledig wordt gedomineerd door asielmigratie, terwijl asiel slechts één van de redenen is waarom mensen naar Nederland komen. Volgens cijfers van het CBS zijn arbeid, gezinshereniging en studie kwantitatief belangrijkere migratiemotieven dan asiel.
Deze verschillende migratiestromen vragen elk om hun eigen beleid en horen elk strikt te worden gereguleerd. Voor asiel zal daarvoor vanaf 12 juni het EU-migratiepact het belangrijkste kader zijn. Een centrale pijler van dat pact is nauwere samenwerking met herkomstlanden: enerzijds om te voorkomen dat hun burgers naar de rijkere EU-landen vertrekken, anderzijds om afgewezen asielzoekers terug te kunnen sturen. Volgens Manning is dit type beleid in de praktijk effectief gebleken in het terugdringen van asielinstromen.
Maar als asiel beter wordt gereguleerd, blijft de grootste vraag onbeantwoord: hoe gaan we om met arbeidsmigratie?
Arbeidsmigratie: selecteren, niet alleen tellen
De discussie over arbeidsmigratie zou niet alleen moeten gaan over het aantal arbeidsmigranten, maar vooral over de vraag welke arbeidsmigranten we het hardst nodig hebben. Selectie is het sleutelwoord.
Voor EU-migranten is directe selectie aan de grens onmogelijk — vrij verkeer is een fundament van de interne markt. Hier moet selectie indirect gebeuren, via prikkels. Denk aan fiscale regelingen zoals de 30%-regeling voor expats, of aan de toegang tot sociale zekerheid. Ook de plannen van eerdere kabinetten om het aantal buitenlandse studenten in het hoger onderwijs te beperken, vallen onder dit type beleid.
Voor niet-EU-migranten kan het beleid directer zijn. De Adviesraad Migratie pleit voor een puntensysteem, naar voorbeeld van Canada, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Dat systeem beoordeelt aanvragen op vijf criteria: loon, beroep, sector, beschikbaarheid en kwaliteit van huisvesting, en taalvaardigheid. De beoordeling zou gestoeld moeten zijn op brede welvaart — niet alleen economisch rendement, maar ook ecologische en sociale effecten.
Wat we ook kiezen, de boodschap is dezelfde: het is noodzakelijk om ja te zeggen tegen migranten die we nodig hebben op onze arbeidsmarkt, en nee tegen wie we niet nodig hebben.
We zochten arbeiders, maar er kwamen mensen
Daarmee zijn we er nog niet. De beroemde uitspraak “Wir riefen Arbeiter, und es kamen Menschen” — toegeschreven aan de Zwitserse schrijver Max Frisch in 1965 — verwees naar de Europese gastarbeiderprogramma’s van de jaren vijftig en zestig. De uitspraak herinnert ons eraan dat arbeidsmigranten geen productiefactor zijn, maar mensen met een leven, een familie en een toekomst.
Die menselijke dimensie heeft ook economische consequenties die in het debat vaak onderbelicht blijven. Veel mensen denken dat immigratie de lonen drukt, omdat extra arbeidsaanbod bij gelijkblijvende vraag tot lagere lonen leidt. Maar de empirie suggereert dat de vraagcurve naar arbeid waarschijnlijk veel vlakker — bijna horizontaal — verloopt zoals in dit plaatje:
Bij een (vrijwel) horizontale arbeidsvraag verhoogt immigratie de werkgelegenheid één-op-één met het arbeidsaanbod, zonder noemenswaardig effect op de lonen. Nederlandse werknemers worden niet geraakt — maar profiteren ook niet. De migranten zelf zijn beter af: alle nieuwe banen die door migratie ontstaan, gaan naar henzelf, en zij verdienen meer dan in hun herkomstland.
Hoe komt dit? Door de migranten zelf. Wie hier werkt, geeft zijn loon ook hier uit, en creëert daarmee vraag naar het werk van anderen. Migranten zijn niet alleen arbeidsaanbod, maar ook consumenten, huurders, ouders en buren.
Een tweede manier om hier naar te kijken, is via de demografie.
Rond het jaar 2000 groeide de Nederlandse bevolking ongeveer even hard als nu. Het verschil zit in de bron van die groei. In 2000 kwam de groei vooral uit natuurlijke aanwas — meer geboorten dan sterfgevallen. Vandaag komt diezelfde groei vrijwel volledig uit migratie. Over de druk op de woningmarkt, scholen en zorg die de natuurlijke aanwas in 2000 met zich meebracht, maakten we ons aanzienlijk minder zorgen dan over de druk die migratie nu volgens velen veroorzaakt. In beide gevallen gaat het echter om hetzelfde fenomeen: een groter aantal mensen in Nederland.
Arbeidsmigratie is een feit in een open economie als de Nederlandse. De vraag is niet óf er arbeidsmigranten komen, maar wélke, en onder welke voorwaarden. Het debat verdient minder verhitting en meer feiten: een eerlijk beeld van hoeveel migranten er werkelijk komen, een scherp onderscheid tussen de verschillende migratiemotieven, en een doordacht selectiebeleid voor arbeidsmigratie. En vooral: het besef dat we geen arbeiders binnenhalen, maar mensen.






Kleindochter van twee arbeidsmigranten die in de eerste helft van de 20e eeuw in de Belgische mijnen kwamen werken 🙋♀️