Enkele weken geleden gaf de Stichting van de Arbeid advies aan de minister van Sociale Zaken en Werk (SZW) over de toekomst van de cao. Maar wat is de Stichting van de Arbeid precies? En waarom vraagt het ministerie SZW op dit moment advies aan de Stichting van de Arbeid over de toekomst van de cao? In deze post:
Wat is de Stichting van de Arbeid?
Waarom het advies over de toekomst van de cao?
Is het advies nuttig?
1. De Stichting van de Arbeid
De Stichting van de Arbeid (StvdA) is een groep van 16 vertegenwoordigers, de helft voor werkgevers en de andere helft voor werknemers. Deze onderhandelingen worden sinds de jaren negentig aangeduid met de term “polderen”. Eerder schreef ik over het belang van polderen voor gelijkheid op de arbeidsmarkt.
De StvdA is op 17 mei 1945 opgericht. Al tijdens de oorlog werd het nut en de noodzaak van een overlegorgaan tussen werkgevers en werknemers besproken. Werknemers en werkgevers deelden de overtuiging dat zij na de bevrijding gezamenlijk moesten werken aan de wederopbouw van Nederland. Al snel na de bevrijding erkende de overheid de StvdA als officieel adviesorgaan.
De StvdA is nauw verbonden met twee andere instellingen. De eerste is de Sociaal Economische Raad (SER). De StvdA en de SER hebben grotendeels dezelfde bestuurders. Maar er zijn ook verschillen. De StvdA is de plaats voor overleg tussen werkgevers en werknemers. Hier komen aanbevelingen tot stand voor decentrale cao-partijen op bedrijfstak- en ondernemingsniveau. De SER geeft enkel advies aan de overheid over de hoofdlijnen van het te voeren sociale en economische beleid. De tweede is de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Net als de SER adviseert ook de WRR de overheid over grote maatschappelijke vraagstukken. Maar het advies van de WRR is meer gebaseerd op wetenschappelijke analyse.
2. Het advies over de toekomst van de cao
Waarom vroeg de minister van SZW een advies aan de StvdA over het bevorderen van collectieve onderhandelingen? Het stelsel van collectieve afspraken is toe aan een flinke onderhoudsbeurt. Zo daalt het aandeel van werknemers met collectieve arbeidsvoorwaarden. Als deze daling zich doorzet, dan zakt het percentage van werkenden met collectieve arbeidsvoorwaarden van 76% in 2011 naar 68% 2033 blijkt uit data van het CBS:
De reden waarom CBS deze data verzamelde is de EU Richtlijn 2022/2041. In deze richtlijn, die bindend is, vraagt de Europese Unie dat lidstaten voorzien in “een kader om de voorwaarden voor collectieve onderhandelingen te creëren” als de dekkingsgraad van cao’s onder de drempel van 80% komt. Omdat de dekkingsgraad in Nederland momenteel zo’n 70% procent is, moet het Ministerie SZW een actieplan maken. De verzameling door het CBS van de data hierboven en de adviesvraag aan de StvdA zijn de eerste stappen uit dit actieplan.
3. Is het advies effectief?
Het advies aan SZW over het bevorderen van collectieve onderhandelingen bevat vijftien concrete punten. Een aantal van deze punten hebben als doel om het draagvlak voor collectieve onderhandelingen te vergroten. Zo is één van de aanbevelingen:
De Stichting van de Arbeid zal een oproep aan cao-partijen doen om te bevorderen dat in het cao-traject alle werkenden in een bedrijf of sector (dus ook niet-leden) meegenomen worden in het cao-proces. Digitale middelen kunnen daarbij behulpzaam zijn. Dit kan ook meer inzicht bieden in de totstandkoming van een cao zelf waarmee de erkenning van het belang van de cao wordt gestimuleerd.
Maar klopt het wel dat beter informeren van werkgevers en werknemers over collectieve arbeidsovereenkomsten het draagvlak ervoor vergroot?
Ja, als je recent onderzoek in Myanmar gelooft. Omdat Myanmar een ontwikkelingsland is, is collectief overleg er nog in opkomst. Onderzoekers stelden zich de vraag of betere informatie over collectieve onderhandelingen ook leidt tot een groter draagvlak voor de cao. Om dit te toetsen deden ze een Randomized Control Trial (RCT). De onderzoekers organiseerden verschillende bijeenkomsten voor werknemers om te spreken over collectief onderhandelen. Bij sommige van deze meetings waren ook vakbondsvertegenwoordigers aanwezig die deelnemers konden informeren over het proces en belang van collectief overleg. Maar in andere meetings waren er geen vakbondsvertegenwoordigers aanwezig en werden deelnemers dus niet geïnformeerd. Wat de onderzoekers vonden was dat meer werknemers overtuigd waren van het belang van collectief overleg in bijeenkomsten waarin ze wel werden geïnformeerd dan in bijeenkomsten waarin dit niet gebeurde.
Informatie kan dus een effectief middel zijn om draagvlak voor het collectief overleg te vergroten. Ook uit Nederlands onderzoek blijkt dat een groot deel van de jongeren niet aangesloten is bij een vakbond omdat ze nooit serieus hebben nagedacht wat een vakbond is of voor hen kan betekenen.
Eerder schreef ik over het belang van democratische instituties voor onze welvaart. Dat klinkt erg abstract. Een heel concreet voorbeeld op de Nederlandse arbeidsmarkt is het collectief overleg door de Stichting van de Arbeid, in de kantoren van de SER op de Bezuidenhoutseweg in Den Haag.


