Sociale zekerheid
De menselijke maat in de samenleving als prijs voor onze vrijheid?
In mijn vorige post schreef ik over flexibilisering — het aandeel werkenden zonder vast contract. Vandaag zoom ik in op een andere uitdaging voor de arbeidsmarkt: de geplande bezuinigingen op de sociale zekerheid.
De sociale zekerheid is één van de pijlers onder de Nederlandse arbeidsmarkt. Maar wat doet ze precies? En wat staat er op het spel nu het kabinet fors wil bezuinigen op de sociale zekerheid?
Om die vragen te beantwoorden, is het nuttig om eerst stil te staan bij de drie kernfuncties van sociale zekerheid.
1. Verzekeren tegen inkomensverlies
De eerste functie van sociale zekerheid is verzekering. Wie zijn baan verliest, ziek wordt of arbeidsongeschikt raakt, ziet zijn arbeidsinkomen sterk dalen. Sociale zekerheid vangt die klap op.
Hoe groot dat effect is, laat de onderstaande figuur zien. De figuur toont wat er gebeurt met het huishoudinkomen wanneer iemand zijn baan verliest. De lichtste lijn laat zien wat er gebeurt met het primair inkomen uit arbeid en vermogen, vóór sociale zekerheid en belastingen. De daling is groot: het primair huishoudinkomen daalt met bijna 50 procent in het eerste jaar na baanverlies.
Bron: Rabaté, S., To, M., Treguier, J., van den Berge, W. en W. van der Wal (2025), “The Effect of Adverse Life Events on Income Trajectories”, CPB Discussion Paper.
De donkerste lijn geeft weer wat er gebeurt met het besteedbaar huishoudinkomen, ná sociale zekerheid en belastingen: dat daalt veel minder. Dankzij de werkloosheidsuitkering (WW), het belastingstelsel en toeslagen wordt de initiële inkomensval met zo’n 80 procent gedempt. De sociale zekerheid maakt het verschil tussen een financiële ramp en een moeilijke maar beheersbare periode.
2. Herverdelen van inkomen
De tweede functie van sociale zekerheid is herverdeling van inkomen. Het stelsel van uitkeringen, belastingen en toeslagen zorgt ervoor dat inkomen van hogere naar lagere inkomensgroepen wordt herverdeeld. Hoe groot dat effect is, wordt duidelijk als we de twee onderstaande figuren met elkaar vergelijken.
De eerste figuur toont de verdeling van het primair inkomen, vóór sociale zekerheid en belastingen, over tien inkomensgroepen (decielen), van de laagste inkomens links tot de hoogste rechts.
Bron: Jongen en Vethaak (2024), “Stille wateren hebben diepe gronden”, Universiteit Leiden.
In 2021 verdiende iemand in het hoogste deciel gemiddeld meer dan 140.000 euro bruto, terwijl iemand in het laagste deciel slechts enkele duizenden euro’s aan primair inkomen had. De spreiding tussen de hoogste en laagste bruto inkomens is in veertig jaar fors toegenomen.
Vergelijk dit nu met de verdeling van het besteedbaar inkomen, ná sociale zekerheid en belastingen:
De laagste inkomensgroepen komen nu uit op ruim 10.000 euro, terwijl het hoogste deciel rond de 83.000 euro ligt. De spreiding is veel kleiner. Waar het primair inkomen van het hoogste deciel meer dan twintig keer zo groot is als dat van het laagste, is die verhouding bij het besteedbaar inkomen teruggebracht tot ongeveer acht keer. Dat is het herverdelende effect van de sociale zekerheid en belastingen. Maar ook de ongelijkheid in het besteedbaar inkomen is de afgelopen veertig jaar fors toegenomen.
3. Beheersen van overheidsuitgaven
De derde functie van de sociale zekerheid is van een andere orde dan de eerste twee. Sociale zekerheid is een grote post op de rijksbegroting. Daarmee is het stelsel ook een belangrijke knop waaraan een kabinet kan draaien om de overheidsuitgaven en -inkomsten in balans te houden en de staatsschuld te beheersen.
Neem de overheidsuitgaven die beschermen tegen inkomensverlies of een te laag inkomen. Dit zijn de werkloosheidsuitkeringen (WW), arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WIA), het basispensioen (AOW), en toeslagen zoals de kinderbijslag. In 1983 piekten deze overheidsuitgaven op 20% van het bbp. Op dit moment is dat zo’n 12% van het bbp. De sterke daling in de overheidsuitgaven kwam er door de gedeeltelijke privatisering van het pensioenstelsel en door de andere sociale uitgaven minder sterk te laten groeien dan het bbp. (Ook de zorgverzekering werd deels geprivatiseerd, maar die laat ik hier buiten beschouwing).
Door het beheersen van de overheidsuitgaven is de Nederlandse staatsschuld laag. De schuldquote is op dit moment 44% van het bbp. Hiermee doet Nederland het veel beter dan Duitsland (36%), België (105%), Frankrijk (115%) of Italië (137%).
Maar de strenge zelfopgelegde begrotingsdiscipline plus de oplopende defensie-uitgaven zetten het kabinet onder druk om nog verder te snoeien in de sociale zekerheid. Zo gaat de derde functie van de sociale zekerheid ten koste van de eerste twee: de zoektocht naar budgettaire ruimte verzwakt de bescherming tegen inkomensverlies en het herverdelende effect van de sociale zekerheid.
Bezuinigen op de sociale zekerheid
Het kabinet wil 6,5 miljard per jaar bezuinigen op de sociale zekerheid. Nu we weten wat sociale zekerheid doet — niet alleen dienen als sluitpost voor de rijksbegroting maar ook verzekeren tegen inkomensverlies en herverdelen van inkomen — is het belangrijk om te begrijpen wat de geplande bezuinigingen betekenen.
Werkloosheidsuitkering (WW)
De maximale uitkeringsduur wordt gehalveerd van 2 naar 1 jaar. Om überhaupt recht te krijgen op één jaar WW moet iemand straks 24 jaar hebben gewerkt, in plaats van de huidige 14 jaar.
Ook de weken-eis wordt aangescherpt: je moet 42 van de 52 weken voorafgaand aan je ontslag hebben gewerkt, in plaats van de huidige 26 van 36 weken. Wie daar niet aan voldoet, krijgt niets. Rode Cijfers heeft berekend dat deze weken-eis een grote groep kwetsbare werkzoekenden uitsluit van de WW.
Arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA)
Het kabinet wil de IVA-uitkering — de regeling voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn — afschaffen. Wie nu volledig arbeidsongeschikt raakt, krijgt 75 procent van het laatstverdiende loon, zonder re-integratieverplichting. Onder de nieuwe plannen valt iedereen onder de WGA, met een lagere tijdelijke uitkering van 70 procent en wél re-integratieverplichtingen en herbeoordelingen.
Bovendien is de duur van de WGA-uitkering gekoppeld aan de WW-duur. Die wordt korter, waardoor arbeidsongeschikten sneller in de lagere vervolguitkering terechtkomen — die op het sociaal minimum kan liggen.
Pensioen (AOW)
De pensioenleeftijd is momenteel 67 jaar, bij de hoogste in Europa. Het kabinet wil de AOW-leeftijd vanaf 2033 één-op-één koppelen aan de stijging van de levensverwachting. Voor de jongste generaties kan de pensioenleeftijd hierdoor oplopen tot 71,5 jaar. De vraag is of iedereen in staat is om zo lang door te werken, met name in fysiek en mentaal belastende beroepen.
De menselijk maat in de sociale zekerheid
De sociale zekerheid vangt de klap op bij verlies van primair inkomen en het verkleint de inkomensongelijkheid. De geplande bezuinigingen verzwakken beide functies. De WW vangt straks minder op bij werkloosheid, de WIA beschermt minder bij arbeidsongeschiktheid, en de AOW-leeftijd schuift op voor iedereen — ook voor wie fysiek niet langer kan. De bewapening van defensie heeft dus een hoge prijs: de ontwapening van de sociale zekerheid.
Het geplande beleid ziet de sociale zekerheid vooral als een uitgavenpost waarop moet worden bezuinigd. De besparingen op de WW en WIA straffen werklozen en arbeidsongeschikten omdat ze geen baan hebben of hun baan niet kunnen doen. Maar in plaats van niet-werken te bestraffen, zou ook bespaard kunnen worden door het hebben of doen van een baan aantrekkelijker te maken. Dit kan op verschillende manieren: minder laagproductieve flex-banen, meer investeringen in opleiding en onderwijs, loonverzekering bij transitie naar een nieuwe baan na massaontslag, of een meer evenwichtige verdeling van belasting op arbeid versus vermogen.
Niemand in Nederland droomt ervan om deel te gaan uitmaken van een nieuw Groot Russisch Rijk. Onze vrijheid is belangrijk. Maar zijn we bereid om voor die vrijheid te betalen met de menselijke maat in onze samenleving?





